zaterdag 14 juni 2014

Epiloog


Epiloog

Ik kijk het schoolplein rond, ben nog altijd niet gewend aan de ovalen vorm, aan het lage hek en aan de nieuwe ouders die voor en achter me staan. Amber zwaait naar een vriendinnetje en rent weg. Ik zie haar haar en bedenk me dat de staart die ik erin heb proberen te maken, scheef zit. Het maakt niet uit.
'Zo, dat schiet op!' Een van de moeders lacht vriendelijk naar me en steekt haar hand uit. 'Ik ben Sandra, de moeder van Juuls en Benno. Ik geloof dat Benno bij Amber in de klas zit?'
Ik schud haar hand en leg mijn hand dan terug op mijn buik. De baby is rustig, geen geschop of gedraai. 'Feline Meerman, aangenaam.'
'Goh. Dat accent. Je komt hier niet uit de buurt?'
Ik schud mijn hoofd. Nee, we komen van ver. Van heel ver. Ik geef beleefd antwoord op haar vragen terwijl ik naar Amber kijk, op dit nieuwe schoolplein. De grote deur gaat open en even denk ik dat ik hem zie. Ik wend mijn blik naar de grond.
Acht maanden geleden stierf Andreas. Ron heeft hem nog proberen te reanimeren. Ik wist dat zinloos was, had het in zijn ogen gelezen toen hij naar me opkeek. De berusting. De liefde.
Alice was op slag dood. Of, Alice... Alinda Vennegoor. Zo heette ze in het echt. Haar vader had een poppentheater, ze groeide op in dezelfde straat als waar de school stond. Dus vanzelfsprekend ging ze daar naartoe. In de volgeschreven schriften die de jongens van de technische recherche later vonden, stonden de kwelling die ze heeft moeten doormaken, in detail beschreven.
Bespuugd. Geslagen. Uitgescholden. Buitengesloten...
Alinda's schooltijd bleek een ware hel. Haar dagboeken schreef ze aan ene Iris. Eerst dachten ze dat ze een mededader had, later vonden we de foto's. Foto's van haar slachtoffers, allen met de pop die bij hun lichaam gevonden werd en met nog een pop. Iris. Wie er eerder mee was, de pers of de recherche, ik weet het niet. Maar al snel overspoelden de officiële en officieuze kanalen zich met teksten uit Alice' dagboeken. Al haar slachtoffers waren haar voormalige plaaggeesten. Nee, niet allemaal. Andreas...
Over hem had ze ook geschreven in haar dagboek. De laatste notitie slechts een uurtje voor zijn dood.
Hij is mijn verlossing. Hij is goed. Al het goeds. Want als hij slecht is, ben ik het ook.
Niemand snapte de tekst. Niemand, behalve ik.
Ik wrijf over mijn buik. Mijn zoon is wakker, zo te voelen. Hij zet zijn knieën tegen mijn ribbenkast en wiebelt met zijn ongeboren lijfje.
Ron probeerde me over te halen te blijven. Ook pa en zelfs Irene wilden dat ik bleef. Maar ik kon niet. Ik kan niet meer terug naar die plek, naar die school. Naar dat alles. Pastoor Walter heeft me gebeld, in de weken na Andreas' dood. Ik heb niet opgenomen. De man zat zo vol haat, zo vol onbegrip. Ik wilde niet horen wat hij te zeggen had. Nu nog steeds niet.
Want hoe gek Alice ook was, een ding hadden we gemeen.
Andreas.
Hij was mijn verlossing.


EINDE

67. Feline


H. 67

Feline

Zijn leven of het mijne? Ik kijk naar Andreas en zie hoe het leven uit hem vloeit. Waarom doet ze dit? Dit... dit monster? Ik kan het niet begrijpen, wil het haar vragen maar net op dat moment begint Andreas te hoesten. Het bloed spat tegen de grond en hij zakt in elkaar. Ik kruip nog dichter naar hem toe, trek zijn hoofd op mijn schoot en wrijf de haren uit zijn bezwete gezicht.
'Alsjeblieft...' Ik voel mijn lichaam trillen, de tranen die over mijn wangen lopen.
Alice lacht en richt het pistool omhoog. 'Alsjeblieft? Als.Je.Blieft? Hou op. Weet je hoe vaak ik gesmeekt heb? Hoe vaak ik alsjeblieft heb geroepen? Ze hielden niet op, nooit op. Gingen maar door. Het treiteren. Het pesten. Het slaan. Dat schoolplein? Iedere ochtend als ik de poort binnenliep, had ik overgegeven. Zelfs nu nog.'
Ik kijk haar aan, begrijp niet wat ze zegt.
'Na vaders dood was ik stuurloos. Tot ik de vacature zag. Schoolhoofd. Op mijn school. Op het plein, het gebouw dat jarenlang mijn hel was. Toen wist ik wat papa bedoelde, toen wist ik wat hij bedoelde... Het leven is maar een spelletje, Alinda. Je moet je omringen door de juiste spelers en dan heb je zelf de slotact in handen.'
Ik schud mijn hoofd, begrijp nog altijd niet waar Alice het over heeft. Ik concentreer me op Andreas. Zijn ogen zijn gesloten en zijn ademhaling is onregelmatig. Ik streel zijn hoofd en  wil haar stem buitensluiten, maar ze gaat maar door en door en door...
'Ik heb het spel gespeeld. Met allen die mij ooit hebben vernederd. Ik heb het afgemaakt. Afgerond. Tot deze slotakte. En zeg nou zelf, wat is er mooier dan een tragisch einde?'
Ineens doet Andreas zijn ogen open en kijkt me aan. Ik zie geen angst, geen pijn. Enkel berusting. Hij opent zijn mond op iets te zeggen, maar hij heeft zijn kracht nodig en ik streel zijn haar en wacht en wacht eindeloos en dan is het moment daar en stopt zijn ademhaling. Geen angst. Geen pijn meer. Andreas' borstkast ligt stil onder mijn hand. En ik hoor niets meer. Helemaal niets. En ik zie niet hoe de deur achter ons open gaat en Ron binnenstormt met een aantal geüniformeerde collega's.
Ik zie niet hoe hij zijn dienstwapen op Alice richt.
Ik zie niet hoe zij sneller is.
Ik zie niet hoe ze mijn pistool hoger brengt.
Ik hoor niet hoe ze de trekker over haalt en zichzelf door het hoofd schiet.
Ik zie niets.
Ik hoor niets.
Ook mijn eigen hart staat stil.




66. Andreas


H. 66

Andreas

Ik zweef tussen hemel en aarde, ergens in niemandsland. De pijn... Is het pijn? Is het spijt? Ik weet het niet. Ik voel niet. Mijn ogen zijn gesloten en ik adem de laatste zuurstof in en uit. In en uit.
Opgeven. Het is een heerlijk gevoel. Goed, het is goed geweest. Ik geef me over aan het luchtledige, aan de rust. Aan de stilte.
Dan hoor ik het. Terwijl ik me concentreer op mijn sterven, dringt het tot me door. Gehuil. Ergens diep van binnen herken ik het geluid.
Ik zoek. Waar komt het vandaan? Draai mijn hoofd links en rechts. Voor me. Het kind ligt voor me. Een baby. Mijn baby. Ik herken het kind zoals ik mijn eigen spiegelbeeld herken. De baby houdt op met huilen en kijkt me indringend aan, zijn ogen zo blauw als de hemel waarnaar ik zweef.
Ik merk de tranen die over mijn wangen rollen pas, als ik me uitrek naar het kind, mijn kind, mijn zoon. Ik kan hem net niet aanraken. Iets houdt me tegen, trekt me naar achteren. Ik wil me niet omkeren, wil niet weten wie het gore lef heeft mij van mijn kind vandaan te houden.
De baby zucht, een ontspannen geluid zoals alleen zuigelingen kunnen maken. Tevreden. Zonder bijbedoelingen. Dan vormen zijn lippen een tandloze lach. Hij kirt en heft zijn knuistjes op. De glimlach die op mijn lippen verschijnt, de zon die mijn hart doet opbloeien, de liefde voor dit kind die alle pijn wegneemt.
Opnieuw maakt de baby een tevreden geluid en ik trek naar voren. Maar ik kom niet vooruit.
Dan besef ik dat het kind niet naar mij lacht en ik draai me om.
Feline.
Daar staat ze, achter me. De baby ligt nu in haar armen, veilig, zacht. Ze heft haar gezicht naar mij op en lacht dezelfde lach als het kind.
'Felix. We noemen hem Felix.'
Ik strek mijn arm naar voren en raak haar aan. Feline verdwijnt en ik besef dat ik niet kan sterven. Niet nu.

De pijn in mijn handen is ondraaglijk, maar ik moet loskomen. Het is mijn enige kans. Ik hoest en proef hoe bloed zich vermengt met speeksel.
'Alice. Alice!' Mijn stem slaat over. Het monster kijkt omhoog, kort. Het wapen houdt ze strak op Feline gericht.
'Houd je kop!'
Ik slik. 'Het spijt me, Alice. Alsjeblieft, laat het me goedmaken. Hoe kan ik laten zien dat ik het mis had? Hoe kan ik de spanning wegnemen? Geef me een kans, lieve Alice.' De woorden kosten me moeite, ik vertrouw op mijn toon, op de warmte die ik ondanks het bloed en de pijn in iedere lettergreep probeer door te laten schijnen. 'Alsjeblieft. Ik kan zorgen dat je je goed voelt...'
Feline kijkt naar boven. Haar ogen zijn rood omrand, maar op haar gezicht ligt een verbeten trek. Ik wend mijn blik af, kijk naar Alice. 'Ik weet hoe ik je goed kan laten voelen. Erg goed. En ik weet ook dat ik een kans heb laten liggen.'
Ik voel hoe opnieuw het bloed naar boven komt en mijn mond binnendringt. Met alle macht probeer ik de hoestbui te onderdrukken. Ik slik en adem in door mijn neus.
Alice kijkt omhoog, dan naar Feline. 'Sta op!'
Feline komt langzaam overeind en Alice duwt haar naar achteren, naar de katrol. 'Haal hem naar beneden. Schiet op.'
De touwen schuren mijn al kapotte huid nog verder open als ik langzaam naar de grond kom. Ik kan me nog altijd niet bewegen, ben verzwakt de pijn in mijn handen is onbeschrijflijk. Aan de andere kant houd ik me daar aan vast, aan de pijn. Als ik niets meer zou voelen, zou het erger zijn. Ik zak op mijn knieën op de grond en voel hoe het duister aan me trekt. Ik kan nu niet toegeven, niet nu ik weet waarvoor ik moet leven. Waarvoor ik wil leven. Eindelijk.
'Maak hem los.' Alice gebaart met het pistool en Feline kruipt op handen en voeten naar me toe. Haar handen trillen ligt als ze de haken uit de mijne schuift. Ik wil niet schreeuwen, niet gillen. De dierlijke kreet uit mijn keel overvalt me, ik word misselijk en spuug op de grond. Het bloed is helder rood. Te rood.
'Het gaat niet goed met hem, alsjeblieft, hij heeft medische hulp nodig. Alsjeblieft...' Felines  stem is dik van de tranen. Kort raakt haar hand mijn wang, maar ik draai mijn hoofd weg en kijk naar Alice.
'Dankje. Dankjewel. Laten we weggaan. Nu. Samen. Laten we dit achter ons laten en...' Ik duw het duister weg en probeer de woorden te vinden die Alice zou willen horen.
Ze lacht en kijkt op me neer. 'Dacht je werkelijk waar dat ik zo stom ben? Dat ik jouw leugens geloof? Nee. Ik bedacht me net een ander spel. Een ander einde. Een open einde. Een keuze. Andreas. Je mag kiezen. Jouw leven? Of het hare.' Ze wijst met het pistool naar Feline, die bevend naast me op de grond zit.
Mijn leven of het hare.
En Alice denkt dat dat een keuze is? Ik lach en schud mijn hoofd.




zaterdag 7 juni 2014

65. Feline


H. 65

Feline

Opzij! Noodgeval.’ Ik zwaai met mijn politiebatch uit het raam naar de vrouw met de kinderwagen op de stoep. Geschrokken doet ze een stap naar achteren, de kinderwagen hangt met een wiel van de stoep af, half de straat op. De vrouw trekt uit alle macht. ‘Sorry.’ Ik rij door.
Gelukkig had ik een ingeving, de schoolgids. Het adres van die zogenaamde Alice Middelkoop. Het moet een valse naam zijn, het kan niet anders! Slimme tante, onder een valse naam je weten op te werken tot zo’n voorbeeldfunctie op school. En Tobias, geïndoctrineerd door de slechtste mens. Amber, die als het tegenzit haar geliefde meester Andreas nooit meer zal zien. Wat een puinhoop. Aan wat ik zelf vind van Andreas’ verdwijning, kan ik nu niet denken. Dat soort gedachten, gevoelens, ze remmen me af. Doen. Actie.
Ik scheur de straat van Alice in. Nummer 35, aan de linkerkant. In het midden, als ik het zo bekijk. Natuurlijk had ik assistentie moeten vragen, maar Ron vind nog steeds dat ik raaskal. Zo’n tunnelvisie, op die leeftijd, daar vallen dus gewoon doden bij. Ik durf te wedden dat hier een onderzoek uit voortkomt. Tunnelvisie. Schiedammer Parkmoord. O. God. Een nieuwe gedachte waar geen plaats voor is.
Met piepende banden, klap ik de stoeprand op. Geen tijd om fatsoenlijk in te parkeren. Wie weet wat dat gekke mens al heeft gedaan, in welke fase van toetakelen ze al zit. Arme Andreas, hoe is hij hierin verzeild geraakt.
Door mij...
Alarmlichten aan, autodeur open en rennen. Aanbellen, bonken op de deur. Stilte. Nog eens, weer niets. Verderop gaat een raam open. ‘Ze is thuis hoor, zag haar vanmiddag nog.’ Een oud vrouwtje, roept zo hard haar stem het nog aankan. ‘Is er wat aan de hand?’
Is er een achterom, mevrouw?’ Ik ren naar haar toe, probeer er zo kalm mogelijk uit te zien.
Jazeker, die steeg in en dan de derde tuindeur aan de rechterkant. Maar ze heeft al bezoek. Een jongeman, sinds vanmiddag. Ik zag ze...’
Ze krijgt de kans niet haar zin af te maken, of misschien praat ze wel door maar ik hoor haar niet meer. Andreas. Hij is hier. Hij moet het zijn. O. God. Alstublieft...
Op mijn hakken keer ik om en ren naar het gat tussen de huizen die de vrouw aanwees. ‘Bedankt,' hoor ik mezelf nog roepen.

Als een stormram of sluipen als een tijger op weg naar zijn prooi. Wat wijsheid is kan ik me nauwelijks bedenken, op de opleiding had je altijd voldoende tijd om dit soort situaties uit de denken. Achterdeur staat open. Foutje mevrouw de directrice.
Stilte op de benedenverdieping. De trap op. Huis lijkt groter dan dat je aan de buitenkant zou denken.
Ik hoor wat. Het gebonk van mijn hart, ruisen van mijn bloed in mijn oren. Maar daartussendoor…
Tijd voor versterking. Ron zal ook mijn veiligheid willen garanderen, neem ik aan. Snel piep ik het hoofdbureau en meld mijn locatie. Mijn oproep wordt bevestigd. Code Rood. Ze komen er aan.
Goed, nu is het zaak om te zijn als die tijger. Traag, behoedzaam en doodsstil beklim ik tree voor tree. Bijna bovenaan.
Nog een stem. Een vrouwenstem, hard en snauwend. Zal ik wachten, op de jongens? Maar wat als Alice naar beneden komt en me vindt? Of als ze ondertussen doorgaat... Ik denk aan haar slachtoffers. Aan de lijken, opengereten. Ontdaan van alle menselijkheid. Dan zie ik Andreas liggen, dood. Zijn lichaam stukgesneden.
NEE. Ik ben hier, ik kan het verschil maken. Nu.
Ik tijger verder, de zoldertrap op. Laatste twee treden, nog een. Niet nadenken en gaan.
STOP! POLITIE.’ Zo hard ik kan trap ik de deur open, met mijn dienstwapentast ik gecontroleerd de ruimte af.
Leeg. Er is niemand. Touwen. Een bebloed mes. Metalen kokers. Maar verder niets. Dan hoor ik gemurmel, vanuit de hoogte. Ik kijk op.
Andreas!
Voordat ik maar iets kan zeggen of doen klapt de deur met het meeste harde geweld tegen mijn flank aan. Ik wankel, val opzij en verlies mijn wapen.
Haha, dag agentje. Wat gezellig. Kom erbij.’
Ik kijk omhoog, eindeloos omhoog. Die stem. Het is Alice, maar toch ook niet. Alsof een satanisch monster haar lichaam tot zich heeft genomen. In haar ogen glimt waanzin. Rond haar lippen zie ik rode vegen. Bloed. Van haar? Ik scan haar lijf, zie geen andere vlekken. Niet haar bloed. Ze lacht, een geluid dat ik alleen in mijn ergste nachtmerries heb gehoord. De lach van de duivel.
Snel krabbel ik overeind, steek mijn handen in de lucht. Handpalmen naar voren. Een open houding, uitnodigend. Ik vorm geen bedreiging. ‘Doe geen domme dingen, Alice.’
Dat heb ik eerder gehoord vandaag. Nu ga je me zeker zeggen dat als ik me nu overgeef je alles zult vergeten en vergeven. Ik ben niet gek.’



64. De Poppenspeler


H. 64


De Poppenspeler

Hij gorgelt en hijgt. 'Alsjeblieft, laten we praten. Dit... Dit is niet...;Bij de anderen had ik de lippen keurig dichtgenaaid, maar daar werd het zo stil van. Dat vond ik een groot nadeel. Had ik eindelijk eens visite, zwegen ze de hele tijd.
Dus Andreas mag zijn lippen los houden, maar of dit domme geklets nu zo’n verbetering is.
Hou je kop, anders naai ik alsnog je lippen dicht.’ Snel draai ik het laatste gat in zijn rechterhandpalm. Zo irritant, dat geschreeuw, die angst. Dierlijk. Anders kan ik het niet noemen. Weer een nadeel van de lippen los. Het is dat ik ervaring heb, met doodsangst, anders zou ik me kapot schrikken. Anders zou ik er misschien mee stoppen. Maar dat deden zij ook niet, stoppen. Nooit stoppen. Altijd maar door. Harder. De scheldwoorden. Harder. De slagen. Harder, het zwijgen, het buitensluiten, het vernederen. En ik? Ik vocht niet meer. Werd stiller. Zachter. Als een pop. Een slap, levenloos ding. Waarmee je kunt doen wat je wilt. Die je het schoolplein kunt over slepen, zo lang en zo hard dat de huid is afgestroopt en een lang, rood-wit spoor dat langs de schommels loopt...
Het gejammer van Andreas trekt me terug uit de herinnering. Een flashback, gefilmd in zwart-wit. Hij huilde niet toen ik het mes in zijn lichaam duwde. Hij huilde niet toen hij de andere pop zag, slap in een hoek. Klaar voor vervanging.
Nu huilt hij wel. Het blijft een mannelijk geluid. Dierlijk... Het wint me op en ik fantaseer over wat ik nog meer zou kunnen doen met dit lichaam. Met deze pop. Heb ik daar tijd voor?
Het koord nog. Ik zal het dikker moeten maken, steviger. Een man is een stuk zwaarder, ook dat heb ik geleerd. Met een katrol, anders gaat het me nooit lukken hem omhoog te hijsen naar de nok van mijn zolderkamer. Misschien dat Iris nog een goed idee heeft.
Alice, het spijt me zo. Ik had je nooit moeten laten zitten, van de week in de kroeg. Maar ik was niet lekker, had dingen aan mijn hoofd.’
Mond houden! Laatste waarschuwing.’ Steeds meer besef ik dat het dom van me was, tijdens deze perfecte slotscene toch weer een experiment in te bouwen. Maar die stilte. Ik merk nu wel dat het prepareren van deze laatste pop echter aanvoelt, intenser. Ik kijk naar hem, naar zijn gezicht, naar het ontblote bovenlijf. Het bloed drupt uit de wond in zijn zij, uit de wonden in zijn armen. Hoe hij daar hangt.
Andreas beseft het niet, maar hij is mijn verlossing.
Je hebt niets aan mij Alice, laat me nu gaan. Jij kunt veel betere mannen krijgen. Ik ben slecht. In en in slecht.’
Ik schud mijn hoofd, traag. Heen en weer. Heen en weer. Dan strek ik mijn hand uit en streel zijn wang. Stoppels. Een onbekend gevoel spookt rond in mijn buik. Opwinding? Berusting? Spijt?
Ineens weet ik wat het is.
Herkenning.
'Lieve Andreas, als jij slecht bent, dan ben ik het ook...' Dan kus ik zijn lippen, strijk met mijn tong langs de stoppels over zijn wang, in zijn nek. Ik proef het bloed als ik met mijn lippen over zijn borst ga, langs de snee, naar beneden.
Andreas kreunt en ik glimlach. Dan kom ik lager en besef ik me dat hij mijn opwinding niet deelt.
Opnieuw een afwijzing.




vrijdag 30 mei 2014

63. Feline


H. 63


Feline

Hij neemt niet op! Ik vloek en gooi bijna mijn mobiel door het inmiddels verlaten recherchehok. Ik moet Andreas spreken, hem vragen naar de poppenkast. De ontdekking van de verbrande agent deed mijn hart opspringen.
Andreas was onschuldig.
De pop was beschadigd en weggegooid lang voordat Andreas op Ambers school kwam werken.
Opnieuw laat ik de telefoon overgaan, opnieuw krijg ik na een eindeloos overgaan zijn voicemail.
Ron vond het onzin, mijn theorie, maar ik weet het bijna zeker. Andreas is niet betrokken bij de moorden. Het moet een ander zijn die een relatie heeft tot de school. Tot hem.
Als ik hem nu te pakken kreeg, dan kon ik hem uithoren. Welke collega's gedragen zich raar? De hele staf heeft toegang tot de poppenkast in de school. De beschadigde agent zou door Alice worden weggegooid, maar wie weet wie hem uit het vuilnis heeft gehaald en...
'Andreas! Ik moet je spreken, het is dringend.' Ik realiseer me hoe kwaad ik klink en dat is absoluut niet de bedoeling. Straks denkt hij dat ik hem opnieuw wil vastzetten in een cel. Of nog erger, dat ik ook denk dat hij in staat is tot... moord. 'Alsjeblieft... Bel me terug.'
Op een drafje ren ik naar mijn bureau en log in in de database. Ik stelselmatig toets ik de namen van de leerkrachten op Ambers school in. Geen hits in de centrale database. Dat betekent geen strafbladen.
Tot ik bij de naam van Alice Middelkoop kom.
<Zoeknaam onbekend>
Ik type haar naam nogmaals in. Onze database is gekoppeld aan het GBA, het centrale systeem van de gemeente, waarin burgerservicenummers en adressen en andere persoonsgegevens in bewaard staan.
<Zoeknaam onbekend>
Alice Middelkoop bestaat niet...




62. Andreas


H. 62

Andreas

Ik sta voor haar deur. Wat doe ik hier? Ik kreun en bedenk me dat ik gewoon weg moet gaan. Ze kan me wat met haar eisen. Bijna draai ik me om. Bijna... Maar bedenk me dan en druk opnieuw op de bel. Als ik weg ga, kost het me mijn baan. Dat heeft Alice me wel heel duidelijk gemaakt.
Na nog een paar keer aanbellen, wordt eindelijk het licht in de gang aangeklikt. Een flauw schijnsel, alsof het pitje net zo weinig kracht, net zo weinig zin heeft als ik.
Alice doet de deur open. 'Sorry. Sorry. Ik was bezig in de garage. Kom binnen!'
Ik volg haar door de gang. Aan de muur hangen foto's, ik blijf staan en kijk er verbaasd naar. Drie ingelijste afbeeldingen van marionetten. Als ik beter kijk, zie ik dat het geen foto's zijn, maar pentekeningen. De naam van de kunstenaar zegt me niets, maar de tekeningen zijn schitterend. Adembenemend en angstaanjagend tegelijk.
'Mooi hè? Die heeft mijn vader getekend. Hij was poppenspeler, had een eigen theater en alles.'
Ik kijk haar aan, haar ogen glinsteren als ze spreekt. 'Dat moet bijzonder zijn geweest, als kind. Jij zult veel vriendjes hebben gehad.'
De blik in haar ogen verhard. Zonder verder iets te zeggen, draait ze zich om en loopt de kamer binnen. Ik vraag me af of ik iets verkeerds heb gezegd. Als in mijn jeugd iemand een eigen poppentheater had gehad, zou ik dat geweldig hebben gevonden. Welk kind houdt nu niet van verhalen en avonturen beleven?
Alice staat in de open keuken, haar rug naar me toe. Ik blijf even staan, loop naar de boekenkast die tegen de lange muur van de kamer staat en bekijk de ruggen. Zonder uitzondering staan er in Alice' boekenkast alleen maar kinderboeken. Een aandoenlijk geval van beroepsdeformatie, besluit ik. Een glimlach vormt zich om mijn lippen als ik denk aan heel vroeger, aan een van mijn meest dierbare jeugdherinneringen. Mijn moeder die me voorlas, hoe ze met haar stem de fantasiewereld tot leven liet komen. Kabouters, elven, oneindige mogelijkheden... Het was een paar maanden voor het fatale ongeluk. De warmte van het dekbed, mijn pyjama met rode vrachtwagens erop, haar parfum. Als ik me goed concentreer, kan ik haar ruiken.
De herinnering is te pijnlijk en ik draai me om, weg van de boeken, weg van de kleurige kaften. Alice staat achter me. Iets blinkt in het schijnsel van de staande lamp in de hoek. Dan voel ik het. Een doffe pijn. Ik krijg het benauwd en kijk verbaasd naar beneden, naar mijn hand die rood kleurt als ik hem leg op de pijnlijke plek in mijn zij.
Het mes in Alice hand glimt niet meer. Het is rood.
Als ik probeer te praten... Het lukt niet om...
Het zwart omhult me. Mijn laatste gedachte is dat de duisternis me eindelijk heeft ingehaald.